i
Afdeling
GRONINGEN De
PADLOPER Nummer
4 2006
De Padloper is een periodiek van de
Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging
afdeling Groningen en verschijnt 4 x per jaar
Jaargang 20, 2006 nummer 4
B
De
PADLOPER Nummer
4 2003
> Voorzitter & Secretaris ad interim
Wim Zolf, Paul Krugerstraat 14, 9671 AR Winschoten
0597 434834 e-mail rjj@hetnet.nl
> Penningmeester
Willem Stouthamer, Zoutstraat 17-3, 9712 TB Groningen 050 3143841
> Natuurhistorisch secretaris & excursiecommissie
Brenda Bolt, Schaepmanlaan 5, 9722 NP Groningen
050 5273227 e-mail ba.bolt@wanadoo.nl
> Bestuurslid
Dick Pegtel, Viaduktweg 15, 9751 HN Haren 050 4062114
WEBSITE: www.knnv.nl/groningen
WERKGROEPEN
Planten: Willem Stouthamer
Vogels: Erik Hoitink 050 5347844 en Gerard Strabbing 050 5346476
LEDENADMINISTRATIE
Harma Pama, Verkavelingsweg 3, 9321 VT Peize
PADLOPER
Redactie: Willem Stouthamer
Copie sluitingsdatum volgende nummer: 15 december 2006
alle kopie, liefst onopgemaakt in Word en graag met een plaatje, kunt u sturen naar:
Redactie adres Padloper: Zoutstraat 17-3, 9712 TB Groningen
of e-mail stouthamer.wj@inter.nl.net
Contributie 2006: lid € 24,50 huisgenootlid € 10,25 donateur € 7,50 per jaar
Opzeggen vóór 1 december van het lopende jaar
postgironummer 855.090
tnv. KNNV afd. Groningen, Zoutstraat 17-3, 9712 TB Groningen
Voorpagina: Spiesleeuwenbek (Kickxia elatie) uit:Rothmaler
Inhoud
|
Van de ledenadministratie en het bestuur |
3 |
|
Van de VogelWerkGroep |
|
|
4 |
|
Van de InsektenWerkGroep |
4 |
|
Van de PlantenWerkGroep |
|
|
4 |
|
7 |
|
Het gele gevaar |
10 |
|
Excursieverslagen |
|
|
13 |
|
Koperuil (vervolg) |
15 |
|
Bespreking opmerkelijk boek |
17 |
|
Excursieprogramma |
19 |
V
an
de ledenadministratie
Wij verwelkomen de nieuwe leden:
Claudia Vrieling (Groningen)
Irene Tieleman (Groningen)
opgezegd heeft
G. Veenstra (Warffum)
Van het bestuur
OPROEP1: Bestuursfunctie of ondersteuning!!!!!
Drie van de vier huidige bestuursleden vervullen reeds lange tijd hun functie of eigenlijk een dubbelfuncie. Zo is Brenda al jaren natuur historisch secretaris en voorzitter van de excursiecommissie; vervult Willem de functie van penningmeester, al jaren zorgt hij dat u een Padloper in de bus krijgt en leidt hij de plantenwerkgroep en Wim is naast voorzitter al weer enige jaren secretaris a.i. Het zou goed zijn als er vers bloed in het bestuur kwam. De huidige bestuursleden willen graag het stokje over geven en hun opvolgers helpen bij de invulling. Wij zoeken dus onder onze 200 leden naar kandidaten.
De KNNV Groningen heeft je nodig !
OPROEP2: Waarnemingen
De waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s hebben gevraagd bijzondere waarnemingen door te geven, zodat zij er bij hun beheer rekening mee kunnen houden.Indien je een bijzondere waarneming doet in onze regio, onthoud goed waar en wat en mail dat naar een coördinator van een werkgroep. Zij kunnen deze bijzonderheid doorsluizen naar de juiste geïnteresseerde, zoals één van de twee genoemde waterschappen in ons gebied, maar ook anderen, zoals gemeenten. Deze instanties kunnen dan ter plekke de juiste maatregelen nemen ter bescherming van de soort.
Wel en wee van de VogelWerkGroep
De vogelwerkgroep is het jaar 2006 begonnen met twee keer een excursie rond Anloo. In januari het bekende Lanjouw-pad en in februari een pittige winterwandeling in het Kniphorstbos. Dichtbij maar toch voor de meeste stadjers een onbekend gebied. In maart zijn vanuit Stedum de gebieden Hoeksmeer en Ekenstein aangedaan. April de bergboezem Lettelbert bij het Leekstermeer. In mei de klassieke excursie naar de Eemshaven en in juni het Lauwersmeer. In juli stond Bargerveen op het programma maar werd op het laatste moment (weinig deelname en dreigend weer) besloten de koers te verleggen naar de vloeivelden bij Oranje. Recentelijk zondag 10 september Schiermonnikoog.
De eerstvolgende excursie is op zaterdag 14 oktober dan weer Lauwersoog met een wandeling door het Friese deel.
Zaterdag 11 november weer dichtbij de stad Groningen in het gebied Drentse Aa en zaterdag 9 december Friezenveen.
De start is in de regel om 9.00 uur en we eindigen zo rond het middaguur.
Nieuwe deelnemers zijn van harte welkom.
Contactpersonen zijn Erik Hoiting (050 5347844) en Gerard Strabbing (050 5346476)
Van de InsektenWerkGroep
Voor het programma zie de website KNNV.NL/Veendam
Van de PlantenWerkGroep
Een floristische verkenning van de vloeivelden van de Suiker Unie.
Op vrijdag 23 juni hebben wij als leden van de plantenwerkgroep van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV) uit Groningen een bezoek gebracht aan de vloeivelden van de Suiker Unie. Doel van dit bezoek was vast te stellen welke wilde planten er voorkomen. Deze inventarisatie past in een lange traditie. Sinds jaar en dag worden door de plantenwerkgroep gebieden rondom Groningen geïnventariseerd. Dit doen we op eigen initiatief en op verzoek van terreinbeherende organisaties als Natuurmonumenten en Provinciale landschappen. Door deze inventarisaties zijn we veel te weten gekomen over de plantengroei (flora) in onze woonomgeving.
De Nederlandse flora is echter continu in beweging, er verdwijnen soorten, maar er zijn ook nieuwkomers. Wij zijn dus nooit klaar met inventariseren. De laatste 10 jaar is er sprake van een ware botanische warmtegolf. Veel nieuwkomers stammen uit warme tot zeer warme streken, met name uit het gebied rond de Middellandse zee, en vestigen zich in de stad. Deze nieuwkomers profiteren van het warmer worden van het klimaat in onze omgeving. Dit maakt dat het inventariseren van gebieden in de stad een leuke en spannende bezigheid is, je weet immers van te voren niet wat je gaat aantreffen!
I
n
de afgelopen jaren hebben we ons dan ook toegelegd op de stad en is
een gebied van circa 64 km2 systematisch onderzocht.
Natuurlijk zijn er altijd gebieden die niet openbaar toegankelijk
zijn. Dit geldt ook voor de vloeivelden van de Suiker Unie. Over de
hier aanwezige plantengroei was niets bekend. Deze zogenaamde ‘witte
gebieden’ hebben een grote aantrekkingskracht op ons floristen:
deze moeten worden verkend!
Gezien het gebruik als vloeiveld konden vooral soorten die aangepast zijn aan de dynamische natte en zeer voedselrijke omstandigheden worden verwacht. Van de meest bijzondere vondsten wordt hieronder verslag gedaan.
Foto 1 De vangst van Kor Raangs
Op de slikkige delen stond een pioniersvegetatie met soorten als Rode ganzenvoet en Spiesmelde. Daartussen stonden enkele exemplaren van Zeegroene ganzenvoet en Strandmelde. Strandmelde is, zoals de naam al doet vermoeden, meer een soort die we aan de waddenkust tegenkomen. In de provincie Groningen is het een vrij zeldzame plant die niet eerder zo ver van de kust is aangetroffen.
Ook de taluds van de vloeivelden en waterbassins hebben een ruige begroeiing die wijst op zeer voedselrijke omstandigheden. Plaatselijk waren massavegetaties met manshoge Kruldistels aanwezig die het inventariseren tot een stekelige bedoening maakten (foto 1). Kruldistel is rond Groningen een zeer algemene plant. Voor ons als floristen dus niets bijzonders. Bij vlinders valt het duidelijk meer in de smaak. Het is een goede nectarplant waar je op een zonnige zomerdag veel vlinders kunt aantreffen. De olierijke zaden zijn bovendien een geliefde voedselbron voor allerlei vinkachtigen, bijvoorbeeld de Putter of Distelvink zoals hij ook wel wordt genoemd.
Opvallend waren ook de grote groepen met Moeraszuring op de taluds, een soort die in de provincie Groningen minder algemeen is en vooral is aangetroffen langs kanalen, wijken in de veenkoloniën en langs het Reitdiep. Moeraszuring heeft een voorliefde voor open, natte en stikstofrijke grond aan waterkanten. Omstandigheden die op de vloeivelden ruimschoots voorhanden zijn.
W
at
soortenrijker waren de bermen van de wegen rondom de vloeivelden. Dit
geldt vooral voor het gebied langs het Hoendiep. Hier troffen we ook
Kamgras aan. Dit gras gaat in Nederland zo sterk achteruit dat het in
2000 op de Rode lijst van bedreigde planten is terechtgekomen. In
Groningen is het een soort die we gelukkig nog vrij regelmatig
tegenkomen. Vooral op de dijken langs het Reitdiep en in de door het
Groninger landschap beheerde weilanden ten noorden van de stad staat
het plaatselijk nog veel. Dit gras was vroeger zo algemeen dat het in
nagenoeg elk weiland rondom de stad te vinden moet zijn geweest. Deze
voorheen soortenrijke weilanden, met een pracht aan Boterbloemen en
Pinksterbloemen in het voorjaar, zijn tegenwoordig vooral het domein
van Engels raaigras.
Wat dichter bij de fabriek vonden we op verschillende plaatsen Groot kaasjeskruid (foto 2 rechts) die het er gezien de grootte van de planten goed naar hun zin hebben. De meest opvallende soorten waren echter Muursla en Bitter barbarakruid. Muursla is een vrij zeldzame plant. Het is een echte ‘Stadjer’ met een voorliefde voor beschaduwde, vochtige en stenige plaatsen. Muursla bewoont vooral oude stadstuinen, nauwe straten, tuingangen en (kade)muren, het is dan ook niet verwonderlijk dat hij vooral in de oude stadswijken te vinden is. Buiten de stad is het alleen bekend van het centrum van Winschoten. Ook Bitter barbarakruid is landelijk gezien een vrij zeldzame soort. Het heeft in de provincie van oudsher een bolwerk in Oost Groningen. Vooral binnen de driehoek Zuidbroek-Winschoten-Nieuwolda is het algemeen. Daarbuiten komt het verspreid voor. In de stad is het echter niet eerder gevonden. Het is een soort met een voorliefde voor open plekken in grazige vegetaties op vochtige plaatsen.
En tot slot een stukje statistiek. In totaal hebben we 206 verschillende planten op de vloeivelden genoteerd. In Nederland komen sinds de laatste inzichten 1.536 verschillende wilde planten voor. Wij hebben daarvan in de stad Groningen tot nu toe 678 soorten aangetroffen, dit is 44 % van de Nederlandse wilde flora. De vloeivelden herbergen 30% van de lokale en 13% van de landelijke flora. Geen wereldschokkende aantallen dus maar wel goed om het verspreidingsbeeld van de wilde planten rondom Groningen completer te krijgen.
Met dank aan Gerard van den Braak, milieucoördinator bij de Suiker Unie, voor de verleende toestemming om het ‘gras aan de andere kant van het hek’ te mogen betreden. Wij hebben niet alleen genoten van de alom vertegenwoordigde ruigte, maar ook van de aanwezige vlinders, Oeverzwaluwen en overige foeragerende vogels.
Edwin Dijkhuis (verslag en foto’s)
Richard Dijkstra
Kor Raangs
Willem Stouthamer
De plantenwerkgroep op pad
De plantenwerkgroep inventariseert elke donderdagavond van april tot september. De meeste plantensoorten zijn inmiddels bekend. Het plezier zit vooral in het (weer) herkennen, het ontdekken van schaarse en/of Rode lijst soorten en van het urbaan biotoop van de stad Groningen willen we graag weten of de stedelijke soortensamensteling gelijk blijft of verandert. Dergelijke gegevens vonden hun weg in bijv. het fraaie boek Stadsplanten (2004) met 18 floristische kijktips, waaronder die in de stad Groningen. (Het stedelijk gebied breidt zich uit als een olievlek. Het laat zich voorzien dat in de nabije toekomst de randstad een aaneengesloten metropool is geworden.)
Om de sleur te doorbreken en om onze horizon te verbreden is er elk jaar een excursie naar een totaal ander gebied. Meestal doen we dat aan het einde van het groeiseizoen begin september samen met de afdeling Veendam. Een bijzonder geschikt doel is dan de zandige oevers van de grote rivieren. Er spoelen allerlei zaden aan die pas in het voorjaar na hoge waterstanden ontkiemen. En, u snapt het al, er kan voor Nederland een totaal nieuwe soort tussen zitten! Voor ons uit het verre noorden zijn vele plantensoorten in het rivierengebied niet alledaags. Het is bijvoorbeeld een genoegen de vele soorten van het geslacht Amaranthus te onderkennen en op naam te brengen. Amaranten zijn in Groningen een zeldzaamheid en alleen het Papegaaienkruid (A. retroflexus) is een bekende. Vooral in pas gezaaide grasvelden kan de soort opkomen.
Wij gaan meestal naar de Millingerwaard of naar de tegenover gelegen Pannerdensche Kop aan de Waal. Dit jaar kozen we voor een nieuw excursiegebied: de Gendtsche polder. Binnen de bedijking zijn de graslanden vergraven om een natuurlijke ontwikkeling mogelijk te maken. Het water heeft er vrij spel, zodat een dynamisch landschap ontstaat; zand wordt weggespoeld en op andere plaatsen weer afgezet.
Zondag 17 september reden we eerst naar het Waalstrand bij Slijk-Ewijk, want we zijn getipt dat daar een groepje bloeiende planten staat van een bijzondere en schaarse soort. Tot onze verrassing bleek het niet de voorspelde Goudbes (Physalis peruviana) te zijn, maar naar onze mening een andere soort. Ondanks ijverig determineren lukt het ons niet om de plant nu al op naam te brengen. We worden door een lichte ontdekkingskoorts bevangen. Vele foto’s worden gemaakt, de soort werd gedetailleerd beschreven en de vindplaats met het Global Position System (GPS) vastgelegd. In de komende tijd zullen we diverse Flora’s en zielsverwanten raadplegen.
Overigens komen de klokvormig omhulde, eetbare, sappige, oranjegele bessen van de Goudbes u wellicht bekend voor als garnering bij nagerechten (ijs). De bessen van de verwante Lampionplant (Physalis alkekengi) zijn niet eetbaar.
H
et
tweede excursiegebied was de oostenlijker geleden Oosterhoutsche
uiterwaarden. We maakten de tussenstop om de massaal voorkomende
éénjarige Spiesleeuwen-bek (Kickxia elatine) te
bewonderen. Op de kale dijkglooiingen van het binnen-water komen
grote aantallen in dichte bezetting voor. Tussen de spiesvormige
bladen zitten de wondermooie bloemen, welke inclusief de spies een
centimeter groot De bloemkroon is lichtgeel, de onderlip donker
citroengeel en de bovenlip paarsrood! Wel even wennen dat volgens de
nieuwe Heukels (2005) het geen helmkruid meer is, maar een lid van de
weegbreefamilie.
Als derde en laatste excursiedoel hadden we gekozen voor het gebied ten westen van de steenfafriek in de Gendtsche polder. We kwamen ogen tekort op de oevers van het binnenmeer en de rivierstranden van de Waal en dat in het majestueuze rivierlandschap om ons heen.
Alsemambrosia (Ambrosia artemisiifolia)
uit: Illustrations of Alien Plants of the British Isles, uitgave Botanical Society 2005
Behalve de reeds genoemde amaranten, konden we ons hart ophalen aan de ganzenvoeten (Chenopodium), tandzaden (Bidens), liefdegrassen (Eragrostis) en warkruiden (Cuscuta) . Rest mij nog als bijzondere voornamelijk eenjarige pioniersoorten van zandige oevers te noemen: Riviertandzaad (Bidens radiata), Amerikaans perzikkruid (Persicaria pensylvanica), Veldwarkruid (Cuscuta campestris), Rechte alsem (Artemisia biennis), Alsemambrosia (Ambrosia artemisiifolia), Riempjes (Corrigiola litoralis) en Welriekende ganzenvoet (Chenopodium ambrosioides). De laatste soort heeft een citroengeur en is bekend als Mexicaanse thee.
We hebben zeer genoten van een uitbundige dag.
Bent u nieuwsgierig geworden? Loop volgend jaar eens een avond met ons mee en/of laat u uitnodigen voor een excursie van onze plantenwerkgroep.
Willem Stouthamer
Bronnen
Denters, T. 2004. Stadsplanten. Veldgids voor de stad, Uitgever: Fontaine, ’s Gravenhout
Meijden, R. van der. 2005. Heukels’ Flora van Nederland. 23ste editie. Uitgever: Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten

Het gele gevaar: Jacobskruiskruid?
Dick M. Pegtel
Wanneer de naam Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) genoemd wordt, dan weet bijna iedereen dat het voornamelijk een plantensoort is van open, droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, doorgaans zandige grond. Vooral in de zandige binnenduinen langs de kust is deze soort algemeen.
De laatste tientallen jaren is deze gele composiet ook in het binnenland veel algemener geworden. Vooral in het rivierengebied. Natuurbeheerders vermoeden dat het biologisch beheer van wegbermen en graslanden de oorzaak is. Ook vond er op uitgebreide schaal uitzaai plaats via bermmengsels. In dit verband mag de naam van de onlangs overleden prof. dr. Piet Zonderwijk niet onvermeld blijven. Hij was de grote voorvechter van grasland(berm)beheer op ecologische grondslag. Wellicht speelt ook de algehele opwarming een rol. Immers, Jacobskruiskruid kwam vroeger voornamelijk langs de kust met het ook ’s winters zonnige en milde klimaat, voor. Ook overbegrazing zou een rol kunnen spelen omdat daardoor open plaatsen in de grasmat ontstaan.
De soort is primair tweejarig: in het voorjaar vindt kieming van de nootjes (achenen) plaats waarna de uitgegroeide rozetten de volgende winter nodig hebben om in het tweede jaar te kunnen bloeien. Na vernalisatie (koude-behandeling tussen 0-10o C) van de rozetten vindt van juni tot oktober de bloei plaats. De sterk vertakte, taaie stengel kan een lengte van 90 cm bereiken en draagt de bloemhoofdjes in schermvormige pluimen. Ieder schuin omhooggericht bloemhoofdje bevat tot 70 lint- en buisbloemen. Één individu kan wel 10.000 nootjes voortbrengen. Na de bloei sterven de individuen af. Wordt de bloei door vroeg maaien voorkomen, dan worden de individuen kort-overblijvend.
Van tijd tot tijd wordt aan deze kruiskruidsoort in de media aandacht besteed want koeien en paarden kunnen lijden aan een ernstige leverkwaal na het regelmatig eten van deze plantensoort. Soms overlijden deze zoogdieren aan acute vergiftiging wanneer het dieet dagenlang voornamelijk uit dit kruiskruid bestaat. Vers of gedroogd maakt geen verschil. Vooral paarden zijn het slachtoffer. De leverziekte werd voor het eerst waargenomen in 1906 in het Canadese plaatsje Pictou (Novo Scotia) nadat dit kruiskruid in 1852 vanuit Schotland was geïntroduceerd.
Op 1 augustus 2006 werd medegedeeld dat het waterschap Rivierenland begint met onderzoek naar de effectieve bestrijding van dit kruiskruid. Het voorgenomen onderzoek zal slechts twee jaar duren omdat het een tweejarig soort is. Wat een onzinnig argument. Alsof in twee jaar tijd voldoende ecologisch inzicht verworven kan worden. Ook sommige provinciale overheden willen de bestrijding aanpakken door resten van afgemaaide individuen handmatig uit het veevoer te verwijderen. Wat een monnikenwerk met weinig ecologisch (langdurig) effect.
Jacobskruiskruid bevat giftige stoffen -alkaloïden- voor dier en mens. Het totale gehalte aan alkaloïden kan wel 0,5% van het drooggewicht bedragen. In sommige delen van de wereld treedt de ziekte onder mensen op en staat bekend als seneciosis. In koeienmelk en in honing kunnen alkaloïden worden aangetoond wanneer koeien dit kruiskruid hebben gegeten en bijen kruiskruidnectar hebben verzameld. De alkaloïden zijn als zodanig niet schadelijk maar door chemische reacties in de lever ontstaan verbindingen die wèl toxisch zijn. Overigens zijn niet alle zoogdieren er gevoelig voor. Konijnen, schapen en geiten verdragen het kruiskruid. De herkauwende schapen en geiten door ontgifting van de alkaloïden in de pens. Ook de ‘waarschuwende’ geel-zwart gebandeerde monofage zebrarupsen, de larven van de markante rood met zwarte Sint Jacobsvlinder (Tyria jacobaeae) hebben geen last van alkaloïden. Sterker, de opgenomen alkaloïden worden niet afgebroken maar in het insectenlichaam opgeslagen om zich daarmee te verdedigen tegen mogelijke predatoren. Zelfs de eieren van insecten bevatten alkaloïden wat er op wijst dat de alkaloïden als zodanig niet-toxisch zijn.
D
e
dichtheid aan rupsen blijkt nauw samen te hangen met het aantal
rozetten van het kruiskruid. De rupsen vreten de individuen geheel
kaal. Opmerkelijk is dat Jacobskruiskruid zich doorgaans goed weet te
herstellen van zo’n vraatpartij. De opmerkelijke uitdossing van de
zebrarupsen weerhoudt insectivore vogels ervan ze te eten. Toch
worden de zebrarupsen gegeten door oorwormen en mieren, en
geparasiteerd door de uit de geïnjecteerde eieren ontwikkelde
larven van sluipwespen.
Uittrekken en verwijderen van de planten wordt wel toegepast maar het is onpractisch voor grote gebieden waar de soort veel voorkomt. Bespuiting met herbiciden zoals 2,4-D en MCPA wordt wel aanbevolen. Maar dat is niet-selectief. Eenmalige behandeling lijkt onvoldoende omdat er regeneratie vanuit het resterende wortelstelsel kan plaatsvinden. Met 2,4-D behandelde planten blijken ook nog hogere gehalten aan water-oplosbare koolhydraten te bevatten waardoor ze als voedsel voor dieren aantrekkelijk zijn. Daar tegenover staat dat de gehalten aan alkaloïden ook verhoogd zijn na een bespuiting. Dus niet spuiten. Maar wat dan wel? Gedacht moet worden aan biologische regulatie met behulp van natuurlijke vijanden zoals bijv. met de rupsen van de Sint Jacobsvlinder. Dat is uitgeprobeerd in Noord-Californië door de Sint Jacobsvlinder in 1959 uit Frankrijk te importeren. De rupsen richtten enige schade aan. Veel effectiever bleek de in drie westelijke kuststaten van de Verenigde Staten in 1969 uit Italië ingevoerde aardvlo Longitaris jacobaeae (2 tot 4 mm). De volwassen dieren voeden zich met bladeren en de larven met wortels. In combinatie zorgt de omvangrijke vraat ervoor dat de planten aanmerkelijk verzwakt worden en door een tekort aan opgeslagen reservekoolhydraten het in de winter en voorjaar moeilijk krijgen. Vervolgens zorgt concurrentie met andere plantensoorten waaronder grassen ervoor dat de populatiedichtheid van het Jacobskruiskruid sterk wordt verkleind. Aldus werd in Oregon de schade aan het vee met 99% teruggedrongen. De mate van deze biologische controle blijkt af te hangen van het klimaat. Onder relatief koude omstandigheden is het resultaat beduidend gunstiger omdat de herstelperiode na vraat dan tekort is.
Vormt Jacobskruiskruid eigenlijk wel een groot geel gevaar? Wordt deze soort niet vaak verward met een geel zusje: het van origine uit Zuid-Afrika afkomstige Bezemkruiskruid (Senecio inaequidens) die sinds de Tweede Wereld oorlog Nederland vanuit België (Eijsden) heeft veroverd door met de trein op stap te gaan? Van deze soort zijn geen vergiftigingen opgetekend. Dat laatste geldt evenzeer voor het sterk gelijkende Viltig kruiskruid (Jacobaea erucifolia) dat evenwel vooral op (zware) klei voorkomt. We moeten oppassen niet in dezelfde valkuil te lopen zoals destijds met provinciale distelverordeningen. Alle distels en op distels gelijkende plantensoorten moesten om economische redenen met alle mogelijke middelen worden bestreden. Door toegenomen ecologisch inzicht is de onzinnigheid van dergelijke verordeningen vastgesteld.
Bronnen
Hajek, A. (2004). Natural enemies. An introduction to biological control. Cambr. Univ. Press, Cambridge. 378 pp.
McEvoy, P.B. , Rudd, N.T., Sox, C.S & Huso,M. (1993). Disturbance, competition and herbivory effects on Ragwort (Senecio jacobaea) populations. Ecological Monographs 63 (1): 55-75.
McEvoy, P.B. & Coombs, E.M. ( 1999). Biological control of plant invaders: regional patterns, field experiments and structured population models. Ecological Applications 9(2): 387-401
Meijden, E. van der (1974). Zebrarupsen en Jacobskruiskruid. In Croin Michielsen, N., red. Meijendel. Duin-water-leven: 95-108. W. van Hoeve B.V., Den Haag/Baarn. 271 pp.
Meijden, R. van der (2005). Heukel’s Flora van Nederland. 23 ed. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. 685 pp.
NRC Handelsblad. 1 augustus 2006
Speight, M.R., Hunter, M.D. & Watt, A.D. (1999). Ecology of insects. Concept and applications. Blackwell Science, Oxford. 350 pp.

EXCURSIEVERSLAGEN
Breebaartpolder, 17 september
Bij een bezoek aan de Breebaartpolder moet je altijd rekening houden met het tij. Het was om 8.30 uur hoogwater geweest, dus besloten we bij de start van onze excursie om 9.30 uur direct naar de kijkhut te gaan.
De meeste vogels zitten immers bij hoogwater in de kreek en zwermen bij laagwater uit over het wad.
Vanuit de hut zagen we grote aantallen Grauwe ganzen en een dertigtal Lepelaars. Verder veel Zwarte ruiters en twee Groenpootruiters die we later op een andere plek zouden tegenkomen. Hun specifieke geluid maakte aan de discussie of het wel Groenpootruiters waren een einde. Ook waren er veel eendensoorten zoals Slobeend, Wintertaling, Smient, Wilde eend en Kuifeend. Voor de hut een groep Kluten, zowel voor als achter de hut Goudplevieren en Kievieten. Een verdwaalde Rotgans hield een eveneens verdwaalde Brandgans gezelschap. In het tegenlicht kon niet alles evengoed gedetermineerd worden maar het fraaie schouwspel vergoedde veel.

Kluten (Foto: Kees Boele)
Vanuit de hut werd de korte doorsteek naar de waddenkant gemaakt via het pad tegenover het bezoekerscentrum. In de hoge bomen bij het begin van het pad zagen we Puttertjes, Kneutjes, Tjiftjaf en een paartje Zwarte roodstaart.
Vanaf de waddendijk zagen we veel Zeehonden op de inmiddels droogvallende banken. Onderaan de dijk werden na enig speurwerk Bonte strandlopers en Kleine strandlopers gedetermineerd. In de kreek liep een niet-te-missen Grote zilverreiger, die even later verschrikt opkeek toen een Havik rustig overvloog. Een buizerd, enkele Watersnippen en veel Tureluurs completeerden het geheel.
N
a
genoten te hebben van het prachtige schouwspel van duizenden Bonte
strandlopers, die in wolken over het wad vlogen, gingen we via de
dijk naar de Punt van Reide. Hier hadden enkele van ons aan het begin
van de excursie een Slechtvalk gezien.
Het speuren leverde niets op. Dat klopte want vanuit onze rug vloog plots de Slechtvalk naar de Punt toe. Met de telescoop werd hij uitstekend in beeld gebracht.
Na 2 overvliegende Kolganzen zorgde met een overvliegende Rode wouw voor een mooi slotakkoord.
Wim Zolf
Rode wouw (uit: Complete gids Vogels van Nederland, uitgave NatuurMonumenten)
Verkenningstocht
Drentsche Aa, 29 april Om
9 uur verzamelden wij ons op het Overwinningsplein, Groningen in de
stromende regen. We waagden de oversteek van het beschutte afdak van
de apotheek naar de auto’s terwijl hagelstenen zo groot als
knikkers naar beneden kwamen. De tocht werd niet afgelast, blijkbaar
waren we te nieuwsgierig om het stroomdal van de Drentsche Aa te
verkennen. In Vries haalden we Wietske Jonker-ter Veld, gids van het
Nationaal Park Drentsche Aa, op. Het bleef regenen tot we met de
auto ons beginpunt, het brongebied van de Drentsche Aa, bereikten.
Toen werd het droog en dat bleef zo! We werden getrakteerd op
prachtige luchten, bekend van oer Hollandse landschapsschilderijen. We
hadden onze auto’s op de Soartendijk tussen Amen en Grolloo
geparkeerd bijna boven op het Amersdiep. We liepen in zuidelijke
richting om het Halkenbroek, gedeeltelijk via een ‘blauwe
paaltjes’ route naar een uitzichttoren. Vanaf dit punt hadden
uitzicht over de Holmers een van de brongebieden van de Drentsche
Aa. De Holmers is zeer recent totaal opnieuw ingericht; de maden
(weilandjes) en sloten zijn omgevormd tot een reusachtige vlakte.
Het gebied ligt tussen twee grote bosgebieden het Zwiggelterveld en
het Elper Noorderveld. Het regenwater kan niet door het
onderliggende kleileem heen dringen en stroomt naar het lager
gelegen Holmers. Met
de auto’s reden we westelijk van het stroomgebied via Amen,
Ekehaar, Anreep naar Assen. Even na de afslag Loon stopten we bij
het afwateringskanaal. Dit kanaal is aangelegd in 1961 tussen het
Deurzerdiep en het Haven-/Noord-Willemskanaal om de waterdruk
verderop in het stroomgebied te kunnen reguleren. We vervolgden onze
weg via Loon, Taarlo en Oudemolen naar het parkeerterreintje waar de
Oudemolensche Diep de weg Oudemolen/Gasteren kruist. We liepen door
de bosrand op de hoge oeverwal naar het punt waar Taarlosche Diep en
het Gasterense Diep samenkomen om dan verder te gaan als
Oudemolensche Diep. Onze gids Wietske Jonker was hier vooral in haar
element en vertelde ons vele wetenswaardigheden en liet ons o.a.
Goudveil en Eenarig wollegras zien. Enthousiast liet ze ons nog
extra een stuk over De Heest lopen een fantastisch mooi
natuurterrein. Terug bij de auto’s namen we afscheid van elkaar en
bedankten Wietske Jonker hartelijk voor haar grote bijdrage aan onze
verkenningstocht. De
inzittenden van één auto namen nog het eindpunt van de
Drentsche Aa in ogenschouw. Bij de Punt is op de westelijke oever
van het Noord-Willemskanaal een parallelweg. Vanaf deze weg is een
kunstmatige betonnen monding van Drentsche Aa te zien (polder de
Punt). Even verderop naar het noorden toe staat een watermolen en
bevindt zich het benzinestation Witte molen. Hier is de oude loop
van de Drentsche Aa hersteld en stroomt zij weer door de polders
Lappenvoort en het Oosterland langs het Friesche Veen naar de
Schipsloot. Vanaf
de Holmers tot het Friesche Veen verandert de ‘Drentsche Aa’ 9
keer van naam en dan hebben we het niet eens over de vele
zijstroompjes. Het totale verval is 16 meter. Willem
Stouthamer literatuur: Rivieren
van Noord-Nederland, uitgave De Walburg Pres/Noorderbreedte 1986 Stroomdallandschap
Drentsche Aa, REGIO-PRoject Uitgevers 1996 Van
Rottum tot Reest, uitgever: Staatsbosbeheer, Assen Topografische
Atlas Drenthe 1:25.000, uitgave ANWB 2004 Grote
Historische Atlas van Nederland 1:50.000, deel 2 Noord-Nederland
1851-1855, uitgave Wolters-Noordhoff 1990 www.drentscheaa.nl


Reactie van Date Lutterop op het verhaal over de KOPERUILEN
(zie vorige Padloper).
Inderdaad is uit onderzoek door Svensson et al. gebleken dat naast de bestaande Diachrysia chrysitis, er mogelijk een tweede soort bestaat, die dan de naam Diachrysia tutti zou moeten dragen. Zoals je in je stukje beweert is dit verschil echter niet te maken op basis van een verschil in de aanwezigheid van de koperkleurige tekening. Bij zowel chrysitis als tutti komen beide kleurvormen (en overigens ook alle mogelijke tussenvormen) voor. Op grond van het uiterlijk is het nagenoeg onmogelijk om beide soorten uit elkaar te houden. Het enige verschil zit in de al genoemde feromonen. Op basis daarvan vinden de onderzoekers het gerechtvaardigd om tutti als nieuwe soort te onderscheiden.
En dan begint het wetenschappelijke steekspel. Veelal wordt echter vastgehouden aan het bestaan van maar een soort. Ook de Nederlandse vlinder-wetenschappers blijven voorzichtig. Mogelijk is er inderdaad sprake van een eerste begin van soortvorming. Totdat hierover meer duidelijk is, is het verstandiger om niet meteen maar te gaan splitten. Wetenschappelijke namen veranderen toch al vaker dan menigeen lief is.Om die redenen ook wordt tutti in de nieuwe naamlijst van de Nederlandse vlinders beschouwd als synoniem van chrysitis.
Bron: Kuchlein, J.H. & R. de Vos 1999. Geannoteerde naamlijst van de Nederlandse vlinders. Backhuys Publishers, Leiden.
Reactie Marjan van Oosten
Bedankt voor je reactie. Als ik je goed lees zou het vrijwel onmogelijk zijn de soorten voor onderzoek op feromoonverschil op habitus voor te selecteren. Toch is dat in beide onderzoeken gelukt. Het onderzoek in Zuid Duitsland heb ik aangehaald, het Zweedse onderzoek is mij niet bekend. Om de discussie af te kunnen sluiten lijkt me herhaling van onderzoek in Nederland op zijn plaats.

uit: Nachtvlinders uitgave Tirion / Vlinderstichting 2006
Wederwoord Date
O.K., maar ik ken geen onderzoek in Zuid-Duitsland. Als je de website www.schmetterlinge.de bedoelt, dat is geen onderzoek, maar niet veel meer dan een lijst van Duitse soorten. Hier wordt voor zover ik het heb geïnterpreteerd, alleen het Zweedse onderzoek nagepraat. Dus als je hier meer over weet, graag opgave van het genoemde Duitse onderzoek.
Je schrijft ook dat je de gevonden vlinder niet in een Nederlandse gids hebt gevonden (wel in een Europese), en op basis daarvan concludeer je dat het geen Nederlandse soort is. Dat is een beetje vreemd, omdat er tot voor kort geen volledige Nederlandse (veld)gids voor de Nederlandse nachtvlinders bestond. Die is er sinds kort wel (Waring et al. 2006). Hierin staat ook de door jullie gevonden kleurvorm van de Koperuil afgebeeld als zijnde Koperuil D. chrysitis. Als alle soorten die niet in een willekeurige veldgids staan vermeld geen Nederlandse soorten zijn, dan valt er nog veel in ons land te ontdekken!!!
De eindconclusie moet denk ik dan ook zijn dat jullie "gewoon" een Koperuil hebben gevonden - een in Nederland heel gewone soort die verspreid over het hele land voorkomt. Zie voor foto's van de verschillende kleurvormen o.a. ook www.vlindernet.nl. Bij D. chrysitis klik je op het filmstrookje voor een serie foto's van deze soort. Misschien dat voortgezet onderzoek ooit nog eens een opsplitsing in twee soorten rechtvaardigt. Tot op heden is daarvoor echter nog niet voldoende back-up van vooraanstaande lepidopterologen. Voordat je overgaat om iets een nieuwe soort te noemen moet er wel iets meer gebeuren dan dat twee groeperingen binnen een soort op verschillende geurtjes "vallen". Qua uiterlijk zijn in het Zweedse onderzoek geen steekhoudende verschillen gevonden. Tot dan zullen we het in Nederland moeten doen met de officiële naamlijst, en daarin is geen plek ingeruimd voor D. tutti.

BOEKBESPREKING
Boom en struik
In augustus 2006 is een alleraardigst bomen- en struikenboek bij uitgeverij Boom (Amsterdam) verschenen:
Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik (ISBN 90 85 06176 8).
Het 376 pagina’s tellende boek met harde kaft is verdeeld in twee delen. Onder redactie van dendroloog Bert Maes geven 7 auteurs in 5 hoofdstukken (deel I) een overzicht van alle voorkomende inheemse houtige soorten, hoe ze te herkennen zijn, waar ze voorkomen, wat hun remigratiegeschiedenis ná de laatste ijstijd is, op welke wijze het beheer uitwerkt en hoe ze deelgenoot zijn van 7 landschappen. Voorts wordt de toekomst van het loof- en naaldhout in Nederland en Vlaanderen beschouwd. In deel II worden alle inheemse houtige soorten van 44 geslachten stuk voor stuk beschreven.
De toegankelijke tekst wordt op aantrekkelijke wijze geïllustreerd met kleurenfoto’s, zwart-wit tekeningen en gekleurde verspreidingskaarten.
De bijlagen omvatten een uitgebreide namenlijst van de besproken bomen en struiken met een toelichting daarop, een uitgebreide verklarende woordenlijst, een register van Nederlandse soortnamen, een topografisch register, verantwoording van de gebruikte literatuur en een doopceel der 7 auteurs. Voor € 34 bent u eigenaar van deze aanwinst.
Boom en struik is een mooi uitgegeven boek en vormt een welkome aanvulling op Boom’s Nederlandse dendrologie (ISBN 90 278 1552 6). Deze geïllustreerde handleiding (met slappe kaft) bij het bepalen van de in Nederland voorkomende soorten, variëteiten en cultivars der gekweekte houtige gewassen verscheen in 2000 in sterk gewijzigde vorm als dertiende druk bij H. Veenman en Zonen, Ede. Voor de 585 pagina’s zijn 4 auteurs verantwoordelijk. Niet goedkoop: € 44,92.
Dick M. Pegtel
Hortus Haren
Klimaatverandering en verandering in het ritme in de natuur zullen centraal staan in de Vriendenlezing, die Arnold van Vliet zal houden op donderdag 12 oktober in de Hortus. Aanvang 20.00 uur.
Als gevolg van veranderingen in weer en klimaat doen zich reeds veranderingen in de natuur voor en zullen dat in de toekomst blijven doen. Hoe kunnen wij daar op inspelen? Want deze veranderingen zijn niet alleen interessant, maar vele verschillende sectoren van onze samenleving hebben er belang bij praktische informatie te krijgen over het tijdstip waarop ontwikkelingen in de natuur plaatsvinden, denk bijvoorbeeld aan gezondheid, landbouw, groenbeheer, tuin en in het algemeen: het publiek. Op initiatief van Wageningen Universiteit en het VARA radioprogramma Vroege Vogels is De Natuurkalender gestart. Doel van De Natuurkalender is die praktische informatie te bieden én ook het publiek actief te betrekken bij het doorlopend verzamelen van informatie. Inmiddels werken meer dan tien organisaties mee aan De Natuurkalender, waaronder De Vlinderstichting, SME Advies, SOVON vogelonderzoek en Stichting FLORON.
De Natuurkalender is sinds de start in 2001 uitgegroeid tot een landelijk netwerk met duizenden vrijwilligers dat zich richt op het inventariseren en analyseren van het effect van weer en klimaatverandering op jaarlijks terugkerende verschijnselen in de natuur, plannen te maken hoe er eventueel op in te spelen en naar het publiek toe uitleg te geven.
De achterliggende gedachte van De Natuurkalender is dat door de samenleving, dus ook overheden en bedrijven, beter te informeren over wanneer waar welke ontwikkelingen zich in de natuur voordoen en over de gevolgen die dit heeft voor het tijdstip van specifiek menselijke activiteiten, de kwaliteit van natuur en milieu vergroot wordt, de gezondheid bevorderd wordt, recreatie versterkt wordt, economische resultaten vergroot worden en de kennis over natuur en klimaatverandering bij een groot aantal doelgroepen vergroot zal worden.
Het belooft niet alleen een interessante lezing te worden, maar we zullen er als toehoorders voor onze ‘buitenbezigheden’ in de praktijk ook veel aan hebben. Arnold van Vliet is coördinator van De Natuurkalender.
Voor leden van de Vriendenvereniging zijn er geen kosten aan verbonden (voor twee personen). Voor anderen geldt de gewone entreeprijs € 4,50. De opbrengst is voor de Hortus.
U kunt zich tot 6 oktober opgeven bij mevrouw Maaike Bennekers, Julianalaan 12, 9751 BM Haren, tel 050 5342090, via een briefje naar Vriendenvereniging: Postbus 159, 9750 AD Haren of via vriendenhortusharen@gmail.com
OPROEP3: De Hortus zoekt voor haar immense takenpakket vrijwilligers
WERK MEE: BEHOUD DE HORTUS
EXCURSIEPROGRAMMA K.N.N.V. afdeling GRONINGEN
CONDITIES
Voor zover niet anders staat vermeld, beginnen alle excursies om 9.00 uur vanaf het Overwinningsplein in Groningen
Opgave bij Brenda Bolt 050 5273227 e-mail ba.bolt@wanadoo.nl of bij Willem StouthamerX 050 3143841 e-mail stouthamer.wj@inter.nl.net
met vermelding wel of niet eigen vervoer (tenzij anders vermeld). Graag minimaal drie dagen van te voren. Deelnemers ZONDER eigen vervoer moeten zich in ieder geval tijdig aanmelden. Indien u tijdens de excursie met iemand meerijdt, is het gebruikelijk dat aan de bestuurder een vergoeding wordt betaald voor de kosten die hij/zij maakt. Als richtlijn geldt een bedrag van
8 eurocent per km per passagier
De excursiecommissie houdt zich het recht voor om bij te weinig opgave van deelnemers de excursie te annuleren. Leden, die zich aangemeld hebben, worden dan geïnformeerd
PROGRAMMA
donderdag 12 oktober, lezing
De natuurkalender
Deze lezing heeft als onderwerp De Natuurkalender: klimaatveranderingen en veranderingen in het ritme van de natuur. Spreker is de heer Arnold van Vliet, coördinator van De Natuurkalender.
Aanvang 20.00 uur in de Hortus. De lezing is toegankelijk voor iedere belangstellende; leden van de Vriendenvereniging Hortus hebben gratis toegang, niet-leden betalen € 4,50 entree. De opbrengst komt ten goede aan de Hortus.
uit de brochure: De marterachtigen in Nederland
(uitgave Natuurmuseum Nijmegen en de Ver. Das en Boom)
Vrijdag 20 oktober 2006, lezing
Dassen en Boommarters
D
eze
gewestelijk georganiseerde lezing wordt gegeven door Ruud van de
Akker. Ruud toont ons tijdens zijn Powerpoint presentatie niet alleen
´dia´s´van Das en Marter, maar ook filmpjes zoals
hij deze zelf gemaakt heeft veelal in het gebied van de Utrechtse
heuvelrug. Ruud maakt fantastisch mooie foto´s en films. Hij is
de eerste geweest die opnamen heeft gemaakt van in een
boommarternest. Hij heeft beelden van Boommarters die hun jongen
versjouwen naar een andere plek, omdat zij lastig werden gevallen
door een specht.
Maandenlang heeft hij op een hoogzit gezeten en heeft vandaar uit een enorme dassenburcht bekeken. Op de film zie je zowel de volwassen Dassen als dartel spelende jonge Dasjes. In de lezing zal hij o.a. ingaan op de leefwijze, de verspreiding en de toename van beide soorten.
De lezing wordt gehouden in het Gorechthuis, Hortuslaan 1 in Haren en begint om 20.00 uur. Vanaf 19.30 u kunt u naar binnen
Zondag 22 oktober
Kraanvogels Diepholz
Het hoogveengebied van Diepholz bestaat volgens een geologische definitie (meer dan 30 cm hoogveenbedekking) uit meer dan 24.00 hectare hoogveen verdeeld over vijftien gebieden van elk tussen de 1500 en 2000 hectare groot. Een groot deel van dit hoogveen is in het verleden ontwaterd, afgeturfd en gebruikt voor land- en bosbouw. Door omvangrijke instandhoudings- en beheersmaatregelen door natuurbeschermings-instanties zijn een enkele duizenden hectaren bewaard en heeft de natuur een nieuwe kans gekregen. Daardoor zijn de gebieden ook interessant geworden als rustplaats voor trekkende Kraanvogels. Er is voldoende voedsel voor de vogels in het gebied en hun rust wordt niet verstoord. Door extensief gebruik van het land rondom is ook in de omgeving een zeer verscheiden natuurgebied ontstaan voor de Kraanvogels. De belangrijkste gebieden zijn het Neustädter Moor en het Rehdener Geestmoor. In beide gebieden staan vogeluitkijktorens.
I
n
de afgelopen jaren zijn in de weken van eind oktober / begin november
tussen de 15.000 en 30.000 Kraanvogels gezien.
Het gebied ligt een 230 kilometer van Groningen. We vertrekken om 8.00 uur vanaf de parkeerplaats (Sontplein) van het oude Ikea gebouw. Tegen de schemering gaan we terug naar Groningen.
Opgave vóór 17 oktober
Zondag 5 november Vogelexcursie Dollard
In de Dollard is altijd veel te zien. We beginnen dit keer in Nieuw Statenzijl. Afhankelijk van het weer en de aanwezige vogels, maken we een wandeling over de dijk. We kunnen rekenen op allerlei soorten en ganzen en maken kans op het zien van een Ruigpootbuizerd, Blauwe kiekendief, Sneeuwgorzen en de nodige Ruiters. Mogelijk trekken we ook nog een eindje richting de Breebaartpolder. In de tweede helft van de middag gaan we huiswaarts. Graag telescopen meenemen! Vertrek onder leiding van Guido Meeuwissen om 9.00 uur vanaf het terrein (Sontplein) van de oud Ikea (bij de fietsenstalling van de oude Ikea). Graag opgave.
Zaterdag 18 november Workshop
De landelijke Veldbiologische Commissie (www.knnv.nl/vbc) houdt in de Kloosterhof, Brink 40 te Assen een workshop
Werken met Waarnemingen
Hoe en wat neem je waar en wat doe je daar dan mee? Wil je de soort beschermen of het gebied? Wat zijn de juridische gevolgen en/of wil je het beleid beïnvloeden? Hoe komt een waarnemingenarchief tot stand? (zie ook oproep2 in deze Padloper). Allemaal vragen en nog meer komen aan de orde. Aanvang 10 uur en de eindtijd is 15.00 uur.
Zaterdag 2 december Ganzenexcursie noordoost Friesland.
Onder leiding van Jan Hulscher gaan we ganzen kijken in het noordoosten van Friesland in het gebied van de Anjummer kolken. We kunnen rekenen op Kol-, Grauwe - en Brandganzen en met een beetje geluk zien we Roodhals - , Rot - en Dwergganzen. Afhankelijk van het weer pikken we op de heen of terugweg ook nog een stukje van het Lauwersmeer mee. Graag telescopen meenemen!
De hele dag excursie vertrekt om 8.39 uur vanaf het Overwinningsplein.
Graag opgave ruim van te voren.
Zaterdag 16 december 2006 Mossenexcursie Noordlaren
De mossenexcursie in de Appelbergen trok vorig jaar veel publiek. Daarom gaan we dit jaar weer naar mossen kijken maar nu in het afwisselende gebied van het Noordlaarderbos. De excursie onder leiding van Ben van Zanten vertrekt om 10.00 uur vanaf het NIVON huis (Duinweg 6, 9479 TM Noordlaren) en eindigt om 12.00 uur.
Zaterdag 7 januari 2007 Snertwandeling Oostum (bij Garnwerd)
Voor de snertwandeling 2007 hebben we een echt Groningse locatie gekozen: het Reitdiepdal ten zuiden van Garnwerd. Met Gert Jan Herder als gids lopen we door een deel van dit schitterende gebied om uiteindelijk terug te komen bij het beginpunt: het oude kerkje van Oostum. In het kerkje zal dan thuis gemaakte snert voor iedereen klaar staan.
Verzamelen: 9.30 uur Overwinningsplein of 10.00 uur kerk Oostum (te bereiken via Dorkwerd of Adorp).
Omdat we de snert dit jaar zelf maken is OPGAVE VERPLICHT uiterlijk 2 januari!, via mailadres keesboele@tiscali.nl (of tel. 050 5370110)

Zaterdag 6 februari 2007
Gallen, een sprekend prentenboek
Ons lid Jojanneke Bijkerk is inmiddels landelijk bekend als column schrijfster in Natura. De excursiecommissie is buitengewoon verheugd dat zij bereid is om over haar vaste onderwerp, en grote passie, gallen een avond te willen verzorgen.
Enige tijd geleden hebben we reeds een eerste inleiding van excursiecommissielid Kees gehad wat toen als titel had ‘Gallen: kraamkamers en restaurants’.
Jojanneke geeft met haar prentenboek hier een uitstekend vervolg op. Bladerend door de enorme variatie van mogelijkheden, en bijna onmogelijkheden, in de gallenwereld geeft zij ons een blik op het intieme leven van galwespjes, galmugjes en tientallen andere galveroorzakers.
De lezing begint om 19.30 uur en wordt gegeven in het Gorechthuis, Haren.
Zondag 21 januari 2007 Winterwandeling Ruiten Aa
Het moest volgens planning een Groninger wandeling worden, maar de wind kan gemeen koud zijn en wat doe je dan op de uitgestrekte weidsheid van het vlakke Groninger boerenklei-gebied? Westerwolde in de uiterste zuidoosthoek biedt uitkomst met haar bossen. Wel een beetje ver weg, maar het loont de moeite. Een kleinschalig landschap, vol afwisseling met oud cultuurland, met boerderijen omringd door oeroude eiken en veel ‘nieuwe natuur’. Smalle weggetjes slingeren van dorp naar dorp. Hier stroomt de Ruiten Aa, die zijn oorspronkelijke kronkelende loop weer volgt, bij Ter Borg liggen heidevelden en bij de Vennekampen schrale graslanden. Dit alles maakt het wandelen daar extra aantrekkelijk.
Excursieleiding Willem Stouthamer. Vertrek: 9.00 uur vanaf de parkeerplaats (Sontplein) van het voormalige IKEA-gebouw (bij de fietsenstalling). Lunch meenemen. Verwachte terugkomst 17.00 uur.
Vrijdag 1 tot en met zondag 3 juni 2007
Afdelingskamp KNNV Groningen op Vlieland
In het Linnaeus jaar leek het de excursiecommissie passend minimaal een excursie naar één van de laatste groeiplaatsen van het Linnaeusklokje aan te bieden. Maar
zowel Terschelling als Vlieland zijn voor een dagexcursie feitelijk niet te doen. We hebben daarom besloten voor Vlieland te kiezen als locatie voor ons afdelingskamp 2007. Niet alleen voor floristen interessant maar zeker ook voor vogelaars (Kroonpolders). In meerdere opzichten gaan we aansluiten bij ons zeer geslaagde Kennemerduinenkamp: niet alleen opnieuw zand en zee maar ook waar mogelijk gebruik maken van lokaal wonende KNNV-ers.
We gaan kamperen op de Staatsbosbeheercamping (natuurkampeerkaart verplicht!),direct naast het dorp. Voor leden die graag van een hotel gebruiken: bel z.s.m. VVV Vlieland voor een reservering, juni is een populaire maand en het aanbod is beperkt.
Opgave voor dit afdelingskamp uiterlijk 1 maart 2007 via mailadres keesboele@tiscali.nl (en vermeld a.j.b. of je kampeert of zelf een hotel zoekt, ook de camping moet gereserveerd worden, maar dat doet de excursiecommissie) of tel. 050 5370110
Websites
www.waarneming.nl iets bijzonders gezien?
www.ooievaars.be
www.wakkerdier.nl
www.tussengebied.nl Haren/Groningen
www.vlinderstichting.nl
www.knnvuitgeverij.nl
www.mijneigenbibliotheek.nl
www.drentscheaa.nl
www.9292ov.nl
www.hunzeenaas.nl
www.noorderzijlvest.nl
www.knnv.nl tweedehandsboeken
www.antiqbook.com/books/search
www.knnv.nl/eindhoven/florwg.html
www.fwtwente.nl
www.plantenwerkgroep.be/flo.wer
www.floraweb.de
www.triodos.nl
www.vroegevogels.vara.nl A6-A9
